Executieve functies

Wat zijn dat nu eigenlijk… die executieve functies?

Om in het dagelijks leven doelgericht te kunnen functioneren, moeten we ons gedrag kunnen sturen. Deze vaardigheid (zelfsturing) is afhankelijk van denkprocessen, nl. executieve functies (EF).

De kleuterleeftijd vormt de meest kritische periode voor de ontwikkeling van die EF (Shaul & Schartz, 2014; Weintraub et al., in press). De ontwikkeling van onze EF is voornamelijk afhankelijk van de prefrontale cortex die vooraan in de hersenen gelegen is. Het plastische brein is tijdens de kleuterleeftijd nog het meeste kneedbaar om deze functies te verwerven. Doorheen de kleuterleeftijd leren kleuters onder meer om zich te focussen, afleidingen te weerstaan, hun beurt af te wachten, zich flexibel aan te passen aan wisselende activiteiten, meerdere opdrachten te onthouden, door te zetten,… (McClelland et al.,2014b).

Grafiek

 

Het verrast ons dan ook niet dat de ontwikkeling van EF doorheen de kleuterleeftijd gezien wordt als een belangrijke indicator voor schoolrijpheid (Fitzpatrick et al., 2014; Shaul & Schwartz, 2014) en rechtstreeks gerelateerd is aan lees- en rekenprestaties in de lagere school (Bull et al., 2008; Shaul & Schwartz, 2014; Cragg & Gilmore, 2014; Blair & Razza,2007; McClelland et al., 2007).

Binnen de executieve functies onderscheiden we drie componenten: werkgeheugen, impulscontrole en cognitieve flexibiliteit. Binnen dit project willen we naast deze cognitieve componenten ook aandacht besteden aan de emotieregulatie.

Impulscontrole houdt in dat je in staat bent om irrelevante prikkels en impulsen te onderdrukken. Kinderen leren bijvoorbeeld hun antwoord even voor zich te houden en goed te overdenken wanneer de leerkracht een vraag stelt. Denk maar aan kleuters die hun vinger al opsteken, alvorens de juf haar zin heeft afgemaakt. Deze EF heeft ook een sterke link met het behouden van je aandacht bij de taak. Een kind waarvan de impulscontrole niet voldoende sterk ontwikkeld is, wordt vaker afgeleid door ‘irrelevante’ prikkels, zoals het vriendje naast zich. Je vindt deze EF ook terug wanneer een kind het moeilijk heeft om te weerstaan aan de neigingen om te gaan “spelen” i.p.v. eerst zijn huiswerk te maken.

Emotieregulatie gaat om de kennis die kleuters hebben over hun eigen emoties en hun strategieën om deze emoties onder controle te houden. Emotionele zelfsturing is een vaardigheid die je nodig hebt om op een doelgerichte en sociale manier in het leven te staan. Het is belangrijk voor het welbevinden van kleuters en draagt bij tot hun sociale vaardigheden.

Het werkgeheugen stelt je in staat om informatie vast te houden, terwijl je tegelijkertijd andere handelingen of bewerkingen uitvoert. Deze vaardigheid komt tot uiting bij beginnende rekenaars die de rekenopgave (vb. 2+3) moeten onthouden terwijl ze tellen of doortellen. Als je leest, moet je meerdere zinnen onthouden om verbanden tussen zinnen te kunnen leggen (vb. Lucas gaat naar de bakker. Hij gaat brood kopen. Als je de eerste zin direct vergeet, weet je niet waarnaar ‘hij’ in de tweede zin verwijst). Ook bij het decoderen (onderdeel van het technisch lezen) moeten kinderen eerst de letters verklanken (/m/ /aa/ /n/), die onthouden en vervolgens de klanken samenvoegen (/maan/) om het woord te kunnen lezen. Het werkgeheugen maakt het mogelijk om onze plannen en instructies van anderen (vb. van de leerkracht) te onthouden, om te ‘multitasken’, om het verleden en de toekomst aan elkaar te linken,…

De cognitieve flexibiliteit verwijst naar het vlot kunnen aanpassen en wisselen van regels in nieuwe situaties. Kinderen die hiermee moeite hebben, zullen sneller fouten maken wanneer optel- en aftelsommen door elkaar worden aangeboden of bij een schrijfopdracht waar verschillende spellingsregels tegelijk moeten worden toegepast (Davidse, N. J., de jong, M. T., Bus, A. G., 2010). Cognitieve flexibiliteit heb je nodig om iets vanuit een ander perspectief te bekijken, om plannen bij te sturen, etc.

Klik op de icoontjes voor meer uitleg